Gezondheidsuitgaven ten laste van huishoudens (SHA): de uitgaven in België zijn relatief hoog in vergelijking met onze buurlanden
Welk deel van de uitgaven voor gezondheidszorg wordt door de huishoudens zelf gedragen? Deze vraag kan worden beantwoord aan de hand van de ‘Health accounts’-methodologie (SHA – ook ‘Gezondheidsrekeningen’ genoemd), ontwikkeld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Europees bureau voor statistiek (Eurostat), en dit in samenwerking met hun lidstaten. Het doel van deze methodologie is het creëren van een instrument dat een analyse van de gezondheidszorgsystemen in de verschillende lidstaten toelaat, en dit op een vergelijkbare basis. [1]
SHA geeft zicht op de waarde van de finale consumptie van goederen en diensten voor gezondheids- en langdurige zorg aan de hand van drie verschillende invalshoeken: wat zijn de voornaamste financieringsbronnen? Welke zorgvormen worden er gebruikt (functie)? En langs welke kanalen wordt de zorg verstrekt (aanbieder)?
In deze editie van ‘Cijfers in de kijker’ focussen we op de gezondheidsuitgaven die ten laste van huishoudens blijven, ook omschreven als de ‘Out-Of-Pocket expenditures’ of ‘OOP’. Deze uitgaven vormen één van de financieringsbronnen binnen de gezondheidsrekeningen. Het is het bedrag dat nog moet worden betaald voor de geconsumeerde goederen en diensten door huishoudens/patiënten, na aftrek van terugbetalingen en andere interventies in hun voordeel. Deze uitgaven worden vaak gebruikt als een indicator om de financiële toegankelijkheid van de gezondheidszorg op te volgen: een hoog aandeel gezondheidsuitgaven ten laste van huishoudens kan immers duiden op het risico dat dit de toegang tot de gezondheidszorg beperkt, zeker voor zwakkere groepen (Gerkens et al, 2025 [2], p. 45; OESO, 2025, p. 108 [3]).
In een eerder ‘Cijfers in de kijker’, dat focuste op de totale uitgaven voor gezondheidszorg in 2023, gaven we al aan dat de cijferreeks grondig wijzigde. Dit vloeit voort uit een omvangrijke methodologische herziening door het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) van de raming van de finale consumptie van huishoudens. In het artikel van oktober 2025 werd vastgesteld dat de impact van deze herziening op de totale gezondheidszorguitgaven beperkt bleef, met uitzondering van de uitgaven die door huishoudens worden gedragen. In dit artikel herwerken we dan ook een eerdere analyse over de gezondheidsuitgaven ten laste van huishoudens op basis van de oude cijfers, en gaan we dieper in op de impact van de herziening op deze specifieke uitgavencategorie.
Dit artikel start met een algemene bespreking van de gezondheidsuitgaven ten laste van huishoudens. Daarbij plaatsen we België in perspectief door de cijfers te vergelijken met de grootste buurlanden en met de andere lidstaten van de Europese Unie. Ook gaan we na hoe deze uitgaven zich in de afgelopen tien jaar hebben ontwikkeld. In een tweede stap verdiepen we de analyse door de uitgaven op te splitsen naar functie, waarbij België opnieuw in een vergelijkend kader wordt geplaatst.
De cijfers tonen aan dat de gezondheidsuitgaven ten laste van huishoudens in België relatief hoog zijn. Ze liggen duidelijk boven het Europese gemiddelde en ook boven de niveaus in onze grootste buurlanden. De analyse naar functie leert bovendien dat, in 2023, het grootste deel van de uitgaven ten laste van huishoudens betrekking heeft op ambulante zorg. Wat de impact van de herziening betreft, kan worden vastgesteld dat deze slechts een beperkte invloed heeft op het totale niveau van de gezinsbestedingen, dat hierdoor licht toeneemt. De gevolgen voor de analyse naar functie (en ook naar aanbieder, hoewel dit in dit artikel niet verder wordt besproken) zijn daarentegen wel substantieel.
Twee zaken zijn belangrijk om in gedachten te houden bij deze analyse. Ten eerste is de reikwijdte van SHA ruimer dan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging in het kader van onze sociale zekerheid. Hiermee verbonden is ook de ruime interpretatie van de OOP: het gaat niet enkel om het remgeld en/of supplementen, maar, zoals hierboven is aangegeven, om het deel dat nog moet worden betaald na terugbetalingen en andere interventies, of wat niet terugbetaald wordt. Dat wil dus zeggen na aftrek van de tussenkomst van de verplichte ziekteverzekering, maar ook na het in rekening brengen van maatregelen (waaronder de maximumfactuur of verhoogde tegemoetkoming) en de tussenkomst van vrijwillige aanvullende verzekeringen (zoals bijvoorbeeld hospitalisatie- of tandverzekeringen). Hiernaast kennen deze gegevens een aantal belangrijke methodologische beperkingen, die in detail worden beschreven in de methodologische bijlage.
De uitgaven ten laste van huishoudens in België zijn hoog in vergelijking met onze buurlanden
In het artikel uit oktober 2025 bleek dat, wanneer we de totale uitgaven voor België vergelijken met het Europese gemiddelde, de uitgaven voor gezondheidszorg in ons land hoog zijn, maar niet uitzonderlijk hoog. Met 10,7% van het bbp bevindt België zich in 2023 weliswaar boven het geraamde uitgavenniveau in Nederland (10,0%) en de ganse Europese Unie (10,0%), maar onder de niveaus voor Duitsland (11,7%) en Frankrijk (11,5%). [4]
Dit beeld verandert echter wanneer we de totale uitgaven uitsplitsen naar financieringsbron. Grafiek 1 toont de verdeling van de totale gezondheidszorguitgaven naar financieringsbron, zowel voor het EU27-gemiddelde als voor onze grootste buurlanden. Wanneer we specifiek kijken naar de uitgaven ten laste van de huishoudens, stellen we vast dat in België in 2023 ongeveer 21,5% van de totale gezondheidszorguitgaven door huishoudens wordt gedragen. Dit is hoger dan het Europese gemiddelde (14,9%), alsook de percentages in onze grootste buurlanden. In Duitsland en Nederland gaat het om 11 à 12% van de totale uitgaven, in Frankrijk om 9,3%.
We kunnen België ook vergelijken met de andere EU-lidstaten. Grafiek 2 toont aan dat België in 2023 niet het hoogste percentage noteert: landen zoals Bulgarije, Letland, Griekenland en Portugal rapporteren duidelijk hogere aandelen. Binnen West-Europa springt België echter wel in het oog, aangezien het daar het hoogste aandeel uitgaven ten laste van huishoudens kent.
We kunnen de uitgaven ten laste van huishoudens ook uitdrukken als percentage van het bbp (niet weergegeven in een grafiek). De conclusies blijven echter ongewijzigd. Met 2,30% van het bbp in 2023 behoort België opnieuw niet tot de landen met het allerhoogste aandeel binnen de EU (onder meer Portugal, Griekenland en Bulgarije liggen met respectievelijk 2,91%, 2,89% en 2,82% opnieuw hoger). Niettemin ligt dit percentage ook hier boven het gemiddelde voor de Europese Unie (1,48%), boven de cijfers van de buurlanden (1,29% in Duitsland, 1,20% in Nederland en 1,07% in Frankrijk) en ook boven die van de overige West-Europese landen. [5]
Alvast een deel van de verklaring voor deze hogere aandelen in België kan volgens de OESO en het European Observatory on Health System and Policies (2025, p. 12; p. 20) [6] worden gezocht bij de zogenaamde supplementen (o.m. ereloon- en kamersupplementen). Desondanks mag de analyse, zoals benadrukt in de inleiding, niet worden gereduceerd tot supplementen (of remgeld) alleen.
Grafiek 3 toont de evolutie over de periode 2014–2023. Deze bevestigt dat bovenstaande conclusies ongewijzigd blijven: gedurende de volledige periode liggen de OOP in België boven zowel het Europese gemiddelde als de percentages die in de buurlanden worden gerapporteerd.
De evolutie over de afgelopen tien jaar verschilt echter per land en vertoont geen eenduidig patroon. Over het algemeen blijven de veranderingen bovendien beperkt. Ook wanneer we de evolutie van de uitgaven ten laste van huishoudens als percentage van het bbp over deze periode bekijken (niet weergegeven in een grafiek), blijven deze conclusies ongewijzigd. In België liggen deze uitgaven gedurende de volledige periode duidelijk boven het Europese gemiddelde en boven de niveaus van de grootste buurlanden.
In oktober 2025 gaven we al aan dat de herziening slechts in beperkte mate invloed heeft op het totale niveau van de gezinsbestedingen, die hierdoor licht hoger uitvallen. De algemene conclusies blijven echter onveranderd: ook op basis van de eerdere cijfers lagen de uitgaven van Belgische huishoudens al relatief hoog, een vaststelling die nu opnieuw duidelijk geldt.
Meer dan de helft van de uitgaven ten laste van huishoudens bestaat uit ambulante zorg
Grafiek 4 toont de totale uitgaven voor gezondheidszorg en de uitgaven ten laste van huishoudens naar functie (namelijk: welke zorgvormen worden er gebruikt?). Deze grafiek illustreert dat het grootste deel van de uitgaven ten laste van huishoudens, namelijk zo’n 57,4%, naar ambulante zorg (of zorg verstrekt aan niet-opgenomen patiënten) gaat. Dit in tegenstelling tot de totale uitgaven, waar ambulante zorg slechts 28,8% vertegenwoordigt. Binnen die totale uitgaven vormt intramurale zorg daarentegen de grootste uitgavenpost, met een aandeel van 33,0%. Deze categorie verwijst naar zorg verstrekt in ziekenhuizen in het kader van traditionele opnames of daghospitalisaties.
Ook voor de andere functies zijn er verschillen ten opzichte van de totale uitgaven. De op een na grootste uitgavenpost ten laste van huishoudens zijn de uitgaven voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen (17,7%), gevolgd door uitgaven voor langdurige zorg (15,4%). Voor de totale uitgaven bedragen deze percentages resp. 12,8% en 23,6%. Op de laatste plaats vinden we voor de huishoudens de uitgaven voor intramurale zorg terug, met 9,5% in 2023. Er zijn geen uitgaven voor preventie ten laste van huishoudens gerapporteerd, omdat de databronnen niet toelaten deze te isoleren.
Het is belangrijk om te vermelden dat de impact van de herziening op de indeling naar functie wel substantieel is. Dit maakt dat bovenstaande grafiek en analyse niet mag worden vergeleken met analyses op basis van de oude cijfers.
We kunnen ons land opnieuw vergelijken met onze grootste buurlanden. Voor het EU-gemiddelde zijn er voor 2023 op het moment van redactie nog niet voor alle categorieën gegevens beschikbaar. Grafiek 5 toont de uitgaven ten laste van huishoudens naar functie, en dit zowel voor België als de grootste buurlanden.
Zoals eerder aangegeven bestaat het merendeel van de uitgaven ten laste van huishoudens in België uit zorg verstrekt aan niet-opgenomen patiënten of ambulante zorg (net geen 60%). Dit is duidelijk hoger dan de aandelen in onze buurlanden: in Nederland gaat het om zo’n 43,5%, terwijl de aandelen in Frankrijk en Duitsland nog lager liggen, met respectievelijk 28,2% en 17,3%. Ook de OESO (2025, p. 108) [7] geeft in de laatste Health at a Glance aan dat de zorg verstrekt aan niet-opgenomen patiënten in België hoog is (naast Italië en Portugal, die niet worden hernomen in bovenstaande grafiek).
Daartegenover staan in België lagere aandelen voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, evenals voor langdurige zorg. Opvallend zijn vooral de hoge aandelen voor langdurige zorg in Duitsland en Frankrijk, waar deze respectievelijk 46,4% en 37,3% van de uitgaven ten laste van huishoudens vertegenwoordigen. Het aandeel van de intramurale zorg ligt in België met 9,5% opnieuw hoger. De verschillen met de buurlanden zijn hier echter minder uitgesproken dan bij de ambulante zorg: in Nederland bedraagt dit aandeel 8,7%, terwijl het in Duitsland en Frankrijk respectievelijk 2,7% en 6,8% bedraagt.
Een opsplitsing van de uitgaven ten laste van huishoudens naar aanbieder (door wie wordt de zorg verstrekt?) is ook mogelijk. Ondanks de conceptuele verschillen [8], zijn de resultaten voor België zeer vergelijkbaar met de indeling naar functie. Daarom bespreken we ze hier niet verder, maar deze gegevens zijn, net als de hierboven vermelde, uiteraard beschikbaar in de rubriek ‘Cijfers van sociale bescherming’ op de website van de FOD Sociale Zekerheid, alsook op de websites van de OESO en Eurostat.
De herziening van de cijferreeksen had bovendien een gelijkaardige impact op de indeling naar aanbieder. Ook hier geldt dus dat analyses op basis van de oude cijfers niet vergelijkbaar zijn met analyses die steunen op de nieuwe cijfers.
Methodologische bemerkingen
Bij de interpretatie van de bovenstaande analyse dienen zoals aangegeven in de inleiding een aantal beperkingen in acht te worden genomen. Zo is het ten eerste niet helemaal duidelijk in welke mate de uitgaven ten laste van huishoudens noodzakelijke (of niet-noodzakelijke) uitgaven weerspiegelen. Bij het maken van vergelijkingen met andere landen moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat achter de waargenomen verschillen ook verschillende realiteiten kunnen schuilgaan. Zo kunnen bijvoorbeeld de terugbetalingssystemen sterk verschillen, zowel naar terugbetaalbare diensten of de mate van terugbetaling, als naar verzekerde bevolking. Ook is het effect van aanvullende verzekeringen voelbaar: in België is hun rol minder belangrijk dan bijvoorbeeld in Frankrijk of Nederland. Verder is het belangrijk om te vermelden dat de raming van de eigen bijdragen niet in alle landen op dezelfde wijze gebeurt. In België is het vertrekpunt daarbij de raming van de finale consumptie van de gezinnen door de Nationale Bank, terwijl andere landen budgetenquêtes of nog andere bronnen gebruiken. Gekoppeld hieraan kunnen de ramingen ook beïnvloed worden door de gebruikte hypotheses, bijvoorbeeld door de mate waarin niet-medische producten bijdragen tot de omzet van apotheken, of door de consumptie van niet-gezondheidsdiensten in ziekenhuizen. Dit maakt dat de foutenmarge voor deze categorie van uitgaven mogelijk wat groter is.
Niettemin zijn, rekening houdend met bovenstaande opmerkingen, analyses op geaggregeerd niveau (zoals in dit artikel het geval is) mogelijk en interessant.
Voetnoten
[1] Deze methodologie werd verplicht gesteld door een Europese Verordening in 2015 (Verordening (EU) 2015/359 van de Commissie van 4 maart 2015 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende statistieken over de uitgaven voor gezondheidszorg en de financiering daarvan). De FOD Sociale Zekerheid is verantwoordelijk voor het opstellen van deze rekeningen voor België en levert de gegevens aan Eurostat.
[2] Gerkens et al. (2025), Performance of the Belgian Health System: Report 2024, KCE, Brussel.
[3] OESO (2025), Health at a Glance 2025: OECD Indicators, OECD Publishing, Parijs.
[4] Er zijn kleine verschillen ten opzichte van de percentages die in het artikel van oktober 2025 zijn gerapporteerd. Dit komt doordat het bbp nog kan worden bijgesteld. Deze beperkte afwijkingen hebben echter geen invloed op de algemene conclusies. Het betreft hier de cijfers op 18/02/2026 op de website van Eurostat. Het gemiddelde voor de Europese Unie is voorlopig.
[5] Het betreft hier de cijfers op 18/02/2026 op de website van Eurostat. Het percentage voor de Europese Unie is voorlopig.
[6] OESO/ European Observatory on Health Systems and Policies (2025), Country Health Profile 2025: Belgium. State of Health in the EU, OECD Publishing, Parijs/ European Observatory on Health Systems and Policies, Brussel.
[7] OESO (2025), Health at a Glance 2025: OECD Indicators, OECD Publishing, Parijs.
[8] Op geaggregeerd niveau lijkt deze opsplitsing weinig te verschillen van de indeling naar functie. Toch zijn de twee niet inwisselbaar. Het verschil tussen beide kan geïllustreerd worden voor de categorie ‘ziekenhuizen’. In de opsplitsing naar zorgverstrekker wordt een onderscheid gemaakt naar type ziekenhuis (algemeen, psychiatrisch, anderszins gespecialiseerd). In de functionele classificatie vinden we de ziekenhuisactiviteiten terug in de klassieke opnames, de dagopnames én bij de niet-opgenomen patiënten (bijvoorbeeld voor consultaties in een ziekenhuis).