Uitgaven voor gezondheidszorg in België: ook in 2023 benaderen de totale uitgaven het pre-COVID niveau

Jaarlijks produceert de FOD Sociale Zekerheid ramingen van de finale consumptie van goederen en diensten voor gezondheids- en langdurige zorg in ons land, volgens de methodologie van het System of Health Accounts (SHA – ook ‘Gezondheidsrekeningen’ genoemd). SHA is een methodologisch kader dat internationale vergelijkingen toelaat. Het wordt gebruikt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en het Europees bureau voor statistiek (Eurostat).

SHA geeft zicht op de waarde van de finale consumptie van goederen en diensten voor gezondheids- en langdurige zorg aan de hand van drie verschillende invalshoeken: wat zijn de voornaamste financieringsbronnen? Welke zorgvormen worden er gebruikt (functie)? En langs welke kanalen wordt de zorg verstrekt (aanbieder)?

De FOD Sociale Zekerheid actualiseerde recent de tabellen over de gezondheidsrekeningen in de rubriek ‘Cijfers van sociale bescherming’ met nieuwe cijfers voor 2023. Bij het opstellen van deze ramingen bleek het noodzakelijk om ook de cijfers voor de voorgaande jaren te herzien, met name voor de periode 2009-2022. In wat volgt, lichten we de herziening verder toe.

In deze editie van ‘Cijfers in de kijker’ beschrijven we beknopt deze nieuwe gegevens voor 2023 en de impact van de herziening op de totale uitgaven. We starten met een bespreking van de totale uitgaven voor gezondheidszorg in België en onze grootste buurlanden. Vervolgens gaan we dieper in op de uitgaven per financieringsbron en per functie (of dus per zorgvorm), waarbij we ook hier de vergelijking maken met onze buurlanden.

Uit de nieuwe cijfers blijkt dat de totale uitgaven voor gezondheidszorg in 2023 nog steeds in lijn liggen met de uitgaven voor de start van de COVID-19-crisis. Hoewel er zoals eerder vermeld een herziening van de reeksen heeft plaatsgevonden, hebben deze aanpassingen nauwelijks invloed op de conclusies uit eerdere ‘Cijfers in de kijker’, zeker wanneer we België vergelijken met de grootste buurlanden. België bevindt zich zoals gewoonlijk boven het geraamde uitgavenniveau in Nederland, maar onder de niveaus voor Duitsland en Frankrijk. Deze verhoudingen zijn de afgelopen 10 jaar nauwelijks veranderd. Een uitzondering hierop zijn de uitgaven ten laste van huishoudens, die het meest getroffen zijn door de eerder vermelde herziening. In een toekomstig ‘Cijfers in de kijker’, verwacht begin 2026, zal de impact van de herziening voor deze uitgaven meer in detail worden besproken.

Totale uitgaven voor gezondheidszorg: ook in 2023 benaderen de uitgaven opnieuw het pre-COVID-niveau

Grafiek 1 toont de evolutie van de totale uitgaven voor gezondheidszorg in België in zowel lopende (nominale bedragen) als constante prijzen (bedragen gecorrigeerd voor prijsschommelingen en inflatie). Deze laatste geven een indicatie van de reële groei.

In lopende prijzen zijn de uitgaven over de afgelopen 10 jaar duidelijk toegenomen, met de sterkste toenames in 2021, 2022 en 2023. De inflatie speelt hier duidelijk een belangrijke rol. In constante prijzen zijn de evoluties minder sterk uitgesproken, hoewel de reële groei van de uitgaven tussen 2014 en 2023 met 18,1% nog steeds substantieel is. In 2023 liggen de uitgaven opnieuw op hetzelfde niveau als in 2021, na een terugval in reële termen tussen 2021 en 2022.

Zoals aangegeven in de inleiding, werd de cijferreeks grondig herzien. Deze herziening heeft niet alleen gevolgen voor 2023, maar ook voor de periode 2009–2022. Ze vloeit voort uit een aanpassing door het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) van de raming van de finale consumptie van huishoudens. Deze raming van het INR vormt de basis voor onze berekening van de uitgaven ten laste van huishoudens (ook bekend als out-of-pocket payments of ‘OOP’).

De herziening heeft in beperkte mate invloed op het totale niveau van de gezinsbestedingen, die nu iets hoger uitvallen, en bijgevolg ook op de totale uitgaven. Daardoor liggen de in deze editie van ‘Cijfers in de kijker’ gerapporteerde uitgaven iets hoger dan in de vorige editie. Alle in onderstaande grafiek opgenomen jaren worden hierdoor beïnvloed, al is het verschil het grootst voor de periode 2020–2022. Belangrijk is echter dat deze methodologische wijziging geen impact heeft op de algemene conclusies die hier worden vermeld.

Een andere manier om de totale uitgaven voor gezondheidszorg te benaderen, is aan de hand van het bruto binnenlands product (bbp). Grafiek 2 toont dat in ons land in 2023 10,8% van het bruto binnenlands product werd besteed aan gezondheidszorg. Dit cijfer evenaart ongeveer het niveau van 2022 (10,7%) en de jaren voor de pandemie (met doorgaans een percentage rond de 10,9%). Vorig jaar schreven we al dat de uitgaven, uitgedrukt als percentage van het bbp, in 2022 opnieuw dicht bij het niveau van vóór de pandemie lagen. Ook in 2023 lijkt dit nog steeds het geval te zijn. Globaal hield de toename van de uitgaven dus gelijke tred met de algemene welvaartsontwikkeling.

Door de gezondheidsuitgaven uit de drukken in percentage van het bbp, is ook een vergelijking met andere landen mogelijk. Terwijl we tussen 2022 en 2023 in België eerder een stagnatie van de gezondheidsuitgaven in termen van het bbp constateren, lijken deze in onze grootste buurlanden te zijn gedaald. Het is hierbij echter wel belangrijk om te vermelden dat de uitgaven in onze buurlanden een hogere vlucht namen tijdens de COVID-19 crisis dan in België.

Zoals vermeld in de inleiding, zijn de gezondheidsuitgaven als percentage van het bbp in België voor 2023 kleiner dan die in Frankrijk (11,5%) en Duitsland (11,7%), maar groter dan die in Nederland (9,8%). Als we ons land met andere West-Europese landen vergelijken (niet in grafiek 2), bevindt België zich in de middenmoot. Naast Frankrijk en Duitsland besteden ook Oostenrijk (11,2%) en Zweden (11,3%) een lichtjes groter aandeel van hun bbp aan gezondheidsuitgaven. Eerdere ‘Cijfers in de kijker’ [1], net als bovenstaande grafiek, tonen aan dat er aan deze conclusies door de jaren heen weinig tot niets is veranderd.

Op het moment van schrijven was het EU27-gemiddelde voor 2023 nog niet beschikbaar. Uit bovenstaande grafiek blijkt echter dat de uitgaven als percentage van het bbp voor België in de voorgaande jaren steeds hoger lagen dan het Europese gemiddelde.

Uitgaven naar financieringsbron: net geen driekwart wordt gefinancierd uit sociale bijdragen en overheidsmiddelen

In de inleiding gaven we al aan dat de uitgaven voor gezondheidszorg vanuit drie verschillende perspectieven kunnen worden belicht. Grafiek 3 focust op de uitgaven naar financieringsbron. Volgens de meest recente cijfers, werd in 2023 73,6% van alle uitgaven voor gezondheidszorg gefinancierd via sociale bijdragen en algemene overheidsmiddelen: namelijk 55,2% via de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en 18,4% uit overheidstussenkomsten (vanuit de algemene belastingontvangsten). Daarnaast maakten de uitgaven ten laste van de huishoudens (ook gekend als de out-of-pocket payments of ‘OOP’) 21,5% van de totale gezondheidsuitgaven uit, terwijl ongeveer 4,9% van de uitgaven via aanvullende en vrijwillige verzekeringen (al dan niet afgesloten via de werkgever, zoals bv. aanvullende hospitalisatieverzekeringen) gefinancierd werd.

De herziening van de cijfers heeft zoals eerder vermeld vooral een impact op de uitgaven ten laste van huishoudens. Deze nemen relatief gezien dan ook toe (voor het aandeel voor 2022 merken we een toename van 20,1% naar 21,4% op, of een stijging van 1,3 pp.). Hierdoor daalt ook het aandeel van de uitgaven dat wordt gefinancierd via sociale bijdragen en algemene overheidsmiddelen lichtjes.

In vergelijking met onze buurlanden, en zoals geïllustreerd door grafiek 3, is het aandeel van de financiering via de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en de rechtstreekse overheidsfinanciering samen in België minder groot. Dit omwille van het hogere aandeel van de eigen bijdrage van de huishoudens in ons land. Als we alleen naar de overheidstussenkomsten kijken, is het aandeel in België echter groter dan in de buurlanden. Verder is het aandeel van de vrijwillige verzekering kleiner dan in Frankrijk en Nederland maar groter dan in Duitsland.

In bovenstaande vergelijking, zoals in elke internationale vergelijking, is het belangrijk op te merken dat de organisatie van de gezondheidszorg verschilt van land tot land. Dit weerspiegelt zich zowel in de financiering ervan, als in de uitgaven. Hoewel SHA een gemeenschappelijk kader biedt, blijven uiteraard de door een land gemaakte keuzes doorwerken (vb. het al dan niet aanrekenen van remgeld, de grootte van de rol van privé verzekeraars binnen het systeem…). Hiernaast gebeurt de raming van de eigen bijdragen van de huishoudens niet in alle landen op dezelfde wijze. In België is het vertrekpunt zoals eerder vermeld de raming van de finale consumptie van gezinnen in het kader van de nationale rekeningen, terwijl andere landen budgetenquêtes of nog andere bronnen gebruiken. Daarom is er steeds voorzichtigheid geboden bij het interpreteren van vergelijkingen tussen landen.

Uitgaven naar functie: zorg verstrekt door ziekenhuizen blijft de grootste uitgavenpost

Uitgesplitst naar functie ging in 2023 in België het grootste deel van de gezondheidsuitgaven naar intramurale curatieve en rehabilitatieve zorg. Deze categorie verwijst naar zorg verstrekt in ziekenhuizen in het kader van traditionele opnames of daghospitalisaties en vertegenwoordigde 32,0% van alle gezondheidsuitgaven in 2023, zoals ook geïllustreerd in grafiek 4. Zorg aan niet-opgenomen patiënten [2] komt op de tweede plaats met 27,9%, terwijl we langdurige zorg terugvinden op de derde plaats met 22,9%. Hierna komen de geneesmiddelen en medische hulpmiddelen (verbruikt buiten ziekenhuisopnames) met 12,4%, gevolgd door de uitgaven voor administratiekosten, met 3,1%. Preventie is de kleinste categorie (o.a. vaccinatieprogramma’s en prenatale zorg) met 1,8% van de totale gezondheidsuitgaven in 2023.

De eerder vermelde methodologische herziening heeft ook een impact op de uitgaven naar functie. Zo merken we dat het aandeel van intramurale curatieve en rehabilitatieve zorg in de nieuwe cijfers afneemt, terwijl dit voor de zorg verstrekt aan niet-opgenomen patiënten toeneemt. Intramurale en curatieve zorg blijft wel nog steeds duidelijk de zorgvorm met de grootste uitgaven. In vergelijking met het ‘Cijfers in de kijker’ van vorig jaar merken we ook op dat het verschil tussen zorg verstrekt aan niet-opgenomen patiënten en langdurige zorg groter wordt: terwijl vorig jaar het verschil tussen beide functies beperkt was, is er ten gevolge van de herziening nu wel een duidelijk verschil. Voor de andere functies is de impact beperkt.

Grafiek 4 maakt ook een vergelijking van de uitgaven naar zorgvorm met de buurlanden mogelijk. Zo varieert het belang van de intramurale zorg ten opzichte van de zorg voor niet-opgenomen patiënten tussen de verschillende landen. Opvallend is, naast het relatief hoge cijfer voor België, het contrast met Nederland. In Nederland ligt het aandeel van de klassieke ziekenhuisopnames lager en dat voor niet-opgenomen patiënten hoger. Bovendien zijn in Nederland de uitgaven voor langdurige zorg de tweede belangrijkste categorie, in tegenstelling tot de andere landen. Daarnaast lijken de uitgaven voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen verstrekt buiten de ziekenhuizen in Frankrijk en Duitsland belangrijker dan in België of Nederland. Het verschil kan deels worden verklaard door het grotere belang van intramurale zorg in België. De verschillen in andere categorieën zijn minder uitgesproken. Zoals eerder vermeld, is het bij dergelijke internationale vergelijkingen belangrijk om te onthouden dat de organisatie van de zorgverstrekking tussen landen verschilt.

SHA voorziet, naast de hiervoor besproken classificaties, ook nog in een opsplitsing naar zorgverstrekker of aanbieder. Ondanks de conceptuele verschillen [3] zijn de resultaten zeer vergelijkbaar met die van de opsplitsing naar functie, we gaan er hier daarom niet verder op in. De gegevens zijn uiteraard wel beschikbaar in de rubriek ‘Cijfers van sociale bescherming’ op de website van de FOD Sociale Zekerheid.

 


 

Voetnoten

[1] Zie onder meer de volgende publicaties: cijfers 2017/2018, cijfers 2018/2019, cijfers 2021 en cijfers 2022.

[2]  De categorie ‘zorg voor niet-opgenomen patiënten’ gaat onder meer over zorg verstrekt door huisartsen en tandartsen in hun praktijk of door ziekenhuizen zonder dat er een hospitalisatie aan te pas komt, maar ook over thuiszorg zoals dialyse aan huis en een categorie ‘overige diensten’. Deze laatste omvat onder meer laboratoriumdiensten en patiëntenvervoer en uitgaven die met het beheer van de gezondheidszorg te maken hebben (beheerskosten in de strikte zin, maar bijvoorbeeld ook R&D).

[3] Op geaggregeerd niveau lijkt deze opsplitsing weinig te verschillen van de indeling naar functie. Toch zijn de twee niet inwisselbaar. Het verschil tussen beide kan geïllustreerd worden voor de categorie ‘ziekenhuizen’. In de opsplitsing naar zorgverstrekker wordt een onderscheid gemaakt naar type ziekenhuis (algemeen, psychiatrisch, anderszins gespecialiseerd). In de functionele classificatie vinden we de ziekenhuisactiviteiten terug in de klassieke opnames, de dagopnames én bij de niet-opgenomen patiënten (bijvoorbeeld voor consultaties in een ziekenhuis).