Uitgaven voor sociale bescherming: stijging van de uitgaven in 2023 en 2024, na een daling in de jaren na COVID-19
Het ‘Europees Systeem van geïntegreerde Statistieken van Sociale Bescherming’ (ESSOBS) [1] is een gemeenschappelijk kader dat eind jaren zeventig is ontwikkeld door het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat) en de lidstaten van de Europese Unie. Dit kader is een antwoord op de nood aan een specifiek instrument om de uitgaven en inkomsten voor sociale bescherming in de lidstaten in kaart te brengen. In de verschillende landen van de Unie zijn sociale zekerheid en sociale bescherming immers op uiteenlopende manieren georganiseerd. De ESSOBS-methodologie is daarom gebaseerd op een systeem van gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en boekhoudkundige regels. Deze aanpak maakt het mogelijk om de sociale beschermingssystemen van de verschillende EU-landen met elkaar te vergelijken.
Alle lidstaten moeten deze statistieken opmaken [2]. In België is het de FOD Sociale Zekerheid die deze taak op zich neemt en de gegevens aan Eurostat bezorgt. Onlangs werden de cijfers voor 2023 toegevoegd aan de rubriek ‘Cijfers van sociale bescherming’. De internationale gegevens kunnen geraadpleegd worden bij Eurostat.
Hiernaast publiceerde Eurostat recent ook de ‘early estimates’(of vroege ramingen) voor 2024. Deze worden op vrijwillige basis verstrekt door bepaalde lidstaten, waaronder België. Deze ‘early estimates’ zijn voorlopige schattingen, die slechts betrekking hebben op een beperkte set van kernindicatoren. Hoewel ze alleen betrekking hebben op de prestaties die zijn opgenomen in het centrale ESSOBS-systeem, hebben deze vroege ramingen als voordeel dat ze een jaar eerder beschikbaar zijn dan de reguliere gegevens. Ze geven dus veel sneller een indicatie van de globale evolutie van de uitgaven voor sociale bescherming. Daarom nemen we ze, waar mogelijk en voor zover relevant, mee op in de analyse.
In deze editie van ‘Cijfers in de kijker’ beschrijven we eerst de situatie in België, waar we de uitgaven voor sociale bescherming analyseren en ook kijken naar de ontvangsten. Vervolgens plaatsen we de uitgaven voor sociale bescherming in de Europese context en vergelijken we België met zijn buurlanden [3]. Uit de cijfers blijkt dat de sociale uitgaven in 2023 en 2024 opnieuw zijn gestegen na de eerdere dalingen na COVID-19. Deze stijging is zowel in reële termen als in percentage van het bbp zichtbaar. Deze ontwikkeling sluit aan bij de internationale trend, maar is op basis van de voorlopige cijfers tussen 2023 en 2024 in België meer uitgesproken.
Uitgaven voor sociale bescherming in België: stijging in 2023 en 2024, zowel in reële termen als in percentage van het bbp
In 2023 bedroegen de totale uitgaven voor sociale bescherming in België, in lopende prijzen, ongeveer 174,2 miljard euro, ofwel 28,9% van het bbp. De totale uitgaven voor sociale bescherming omvatten zowel uitgaven voor sociale prestaties als werkingsuitgaven en ‘andere uitgaven’. In wat volgt, richten we ons alleen op de uitgaven voor sociale prestaties, niet alleen omdat de vroege ramingen enkel dit type uitgaven omvatten, maar ook omdat ze het grootste deel van de totale uitgaven uitmaken (meer dan 95%).[4]
Om het effect van prijsschommelingen en inflatie te neutraliseren, worden de uitgaven voor sociale prestaties in grafiek 1 weergegeven in constante prijzen. Deze geven een indicatie van de reële groei. De jaarlijkse groei van de uitgaven voor sociale prestaties tussen 2022 en 2023, in constante prijzen, bedroeg ongeveer +5,8%; dit cijfer wijst op een positief jaarlijks groeipercentage. Dit positieve percentage houdt verband met het feit dat bepaalde functies (ziekte, invaliditeit, ouderdom) in 2023 een bijzonder hoge groei vertonen in vergelijking met 2022 [5] en met het feit dat de groei van de functie “sociale uitsluiting [6]” in 2023 zeer hoog blijft, ondanks een vertraging ten opzichte van 2022 [7]. Bij analyse van het percentage van de uitgaven in termen van het bbp in 2023 (27,5%) blijkt echter dat dit percentage, ondanks het feit dat het hoger is dan dat van 2022 (27,2%), binnen de normale percentages van de afgelopen tien jaar blijft (met uitzondering van het jaar 2020).
Grafiek 1 toont ook een voorlopige raming van de uitgaven voor sociale prestaties in 2024. We stellen vast dat deze hoger liggen dan die van 2023 (+2,8%) en dat het bedrag hoger is dan dat van 2020 (+1,7%). Ter herinnering, het bedrag in 2020 was bijzonder hoog als gevolg van de bijzondere maatregelen die werden genomen om de gevolgen van de COVID-19-gezondheidscrisis op te vangen. Hoewel het in 2020 bereikte niveau het gevolg was van uitzonderlijke omstandigheden, tonen de bedragen voor 2024 aan dat een dergelijk niveau ook buiten een crisisperiode kan worden bereikt. Uit een analyse van het percentage van de uitgaven in termen van het bbp blijkt dat dit in 2024 naar schatting 28,7% zal bedragen, wat neerkomt op een stijging van +4,2% ten opzichte van 2023.
De uitgaven kunnen verder worden uitgesplitst naar functie. Grafiek 2 toont de verandering in het aandeel van de verschillende functies in het totaal van de sociale prestaties voor de periode 2020-2024.
In 2023 wordt het grootste deel van de uitgaven besteed aan de functie ‘Ouderdom’ en is het relatieve aandeel ervan toegenomen. We stellen vast dat de uitgaven voor deze functie blijven stijgen, wat te verklaren is door de aanhoudende effecten van de vergrijzing van de bevolking [8]. Daarna volgen de functies ‘Ziekte’ en ‘Invaliditeit’. In vergelijking met 2022 zien we dat het relatieve aandeel van de functie ‘Ziekte’ zich stabiliseert en dat dat van de functie ‘Invaliditeit’ zeer licht blijft stijgen, wat erop wijst dat de daarmee samenhangende uitgaven sneller stijgen dan de andere.
De ‘early estimates’ geven ons een indicatie van de verwachte trend in 2024. Het lijkt erop dat het aandeel van de uitgaven voor de functie ‘Ouderdom’ gelijk blijft, terwijl het aandeel van de functies ‘Ziekte’ en ‘Invaliditeit’ licht stijgt.
Ontvangsten voor sociale bescherming in België: de overheidstussenkomsten blijven het leeuwendeel uitmaken
ESSOBS geeft ook een schatting van de ontvangsten voor sociale bescherming. In 2023 bedroegen deze 181,2 miljard euro, of 30,4% van het bbp.
De ontvangsten voor sociale bescherming, weergegeven in grafiek 3, kunnen op hun beurt worden uitgesplitst naar type. In 2023 zijn de overheidstussenkomsten, met een aandeel van 41,6%, de belangrijkste bron van ontvangsten voor de sociale bescherming. Ook de werkgeversbijdragen maken met 37,1% een aanzienlijk deel van de inkomsten uit. Het aandeel van de sociale bijdragen ten laste van de beschermde personen zelf en dat van de andere ontvangsten zijn lager, respectievelijk 19,1% en 2,2%.
Wanneer we de percentages van 2023 vergelijken met die van voorgaande jaren, zien we in relatieve termen een lichte stijging van de overheidstussenkomsten en een lichte daling van de sociale bijdragen ten laste van de werkgevers. Wanneer het relatieve aandeel van de overheidstussenkomsten stijgt, kan dat worden verklaard door een reeks factoren (niet-exhaustief): 1) een uitbreiding van de sociale bescherming (bijvoorbeeld de welvaartsaanpassingen van de vervangingsinkomens), 2) de ‘tax shift [9]’ en 3) een toename van de zogenaamde evenwichtsdotaties in de sociale zekerheid en de ziekteverzekering.
De overheidstussenkomsten blijven de belangrijkste categorie in termen van inkomsten voor sociale bescherming, zelfs na de stabilisatie van de situatie na COVID. Voor het vijfde jaar op rij registreren we een hoger niveau van overheidstussenkomsten dan van sociale bijdragen ten laste van de werkgevers. Daarnaast zien we voor het eerst sinds 2020 een nieuwe stijging van hun relatieve aandeel. Er lijkt zich dus een trend af te tekenen. We kunnen spreken van een structurele evolutie wat de overheidstussenkomsten betreft. Aangezien de ‘early estimates’ enkel focussen op de uitgaven, kunnen we op dit moment nog niets zeggen over de evolutie van de ontvangsten in 2023.
Uitgaven voor sociale bescherming in internationaal perspectief: stijging in België en Nederland in 2023, en algemene stijgende trend verwacht in 2024
We kunnen de uitgaven voor sociale bescherming ook bekijken vanuit een internationaal perspectief, aangezien alle lidstaten van de Europese Unie gegevens over hun sociale beschermingsvoorzieningen volgens de ESSOBS-definities dienen aan te leveren aan Eurostat [10]. We concentreren ons op de uitgaven voor sociale prestaties, omdat die het grootste deel van de uitgaven voor sociale bescherming vertegenwoordigen en de ‘early estimates’ voor 2024 alleen hierop betrekking hebben. Grafiek 4 toont de uitgaven voor sociale prestaties uitgedrukt als percentage van het bbp voor België, onze belangrijkste buurlanden en het gemiddelde van de 27 EU-lidstaten.
In 2020 kenden alle landen die in grafiek 4 worden weergegeven een vergelijkbare stijging van de uitgaven voor sociale prestaties als percentage van het bbp, als direct gevolg van de gezondheidscrisis. Vanaf 2021 en 2022 keert deze trend zich om en keren alle landen geleidelijk terug naar hun niveau van vóór de pandemie. Dit bevestigt dat de COVID-19-schok een eenmalige en geen structurele gebeurtenis was. De snelheid waarmee dit herstel plaatsvindt, verschilt echter per land.
Hoewel de uitgaven als percentage van het bbp in 2022 zowel voor België als voor zijn buurlanden en het gemiddelde van de 27 EU-lidstaten zijn gedaald, laten de gegevens voor 2023 uiteenlopende ontwikkelingen zien. De sociale uitgaven stijgen in België en Nederland, terwijl ze in Frankrijk dalen en relatief stabiel blijven voor Duitsland en het gemiddelde van de EU-27.
De ‘early estimates’ voor 2024 suggereren dat deze stijging van de uitgaven als percentage van het bbp zich zal voortzetten voor België en Nederland en dat Duitsland, Frankrijk en het gemiddelde van de EU-27 ook een stijging zullen kennen. Voor Duitsland gaat het om een vrij aanzienlijke stijging. Voor Frankrijk en het gemiddelde van de EU-27 gaat het om een eerder lichte toename. De vroege ramingen geven aan dat de Belgische uitgaven verder zullen afwijken van het EU-27 gemiddelde en dat deze uitgaven de sterkste stijging zullen laten zien, op de voet gevolgd door die van Duitsland. Aangezien het echter om voorlopige ramingen voor 2024 gaat, moeten deze resultaten met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Elk jaar publiceert de FOD Sociale Zekerheid een meer gedetailleerde informatiebrochure over de ESSOBS-gegevens. Deze brochure bevat gedetailleerde analyses en een grondige vergelijking met andere EU-lidstaten. De laatste versie van deze brochure is gebaseerd op cijfers voor 2022 (voor België) en 2021 (voor de vergelijking met andere EU-lidstaten). Je vindt haar in onze rubriek ‘Statistische publicaties’. Een nieuwe versie, gebaseerd op cijfers voor 2022 en vroege schattingen voor 2024, wordt momenteel voorbereid.
Voetnoten
[1] Ook bekend als het 'European System of integrated Social PROtection Statistics' of ESSPROS.
[2] De relevante wettekst kan hier worden geraadpleegd.
[3] Duitsland, Frankrijk en Nederland.
[4] In deze editie van 'Cijfers in de kijker' uit 2023 wordt een overzicht gegeven van de evolutie van de verschillende soorten uitgaven voor sociale bescherming doorheen de tijd.
[5] In 2023 bedraagt de groei van de functie ‘Ziekte’ +5,8% (in 2022 -6,4%), van de functie ‘Invaliditeit’ +7,1% (in 2022 +1,9%) en van de functie ‘Ouderdom’ +7,1% (in 2022 +0,2%). Ter informatie: tussen 2019 en 2023 vertoont de functie ‘Ziekte’ een groeipercentage van +11,2%.
[6] Het leefloon maakt bijvoorbeeld deel uit van deze functie.
[7] In 2023 bedraagt de groei van de functie ‘Sociale uitsluiting’ +11,7% (in 2022 +25,1%).
[8] De Studiecommissie voor de Vergrijzing legt in hun rapport uit dat de budgettaire kosten van de vergrijzing tot 2050 voornamelijk te verklaren zijn door de sterke vergrijzing van de bevolking (p. 32).
[9] ‘De ‘tax shift’ is enerzijds bedoeld om de werkgelegenheid te ondersteunen door lagere belastingen op arbeid en steun voor kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandigen, en anderzijds om de koopkracht van huishoudens te vergroten’ (Simar, L., 2016).
[10] Alle EU-lidstaten zijn verplicht om ESSOBS-statistieken op te stellen en aan Eurostat te leveren. De vroege ramingen worden echter op vrijwillige basis verstrekt, wat wil zeggen dat niet alle lidstaten deze aanleveren.